Het masker is gevallen

Een reis van bijna twee jaar is eindelijk af. Achter de moerassen van verkeerde keuzes, door de mist van gebrekkige motivatie en aan het eind van de door aardbevingen geteisterde paden van de fantasie, danst er toch nog een schilfertje zon op de kersenbloesem. Er bestaat nu een volledige draft van Maskerval, dus sta me toe er een enthousiaste blogpost over te schrijven.

DSC02652

Een plaatje voor het plaatje.

Maskerval is m’n eerste Nederlandstalige prozaverhaal van romanlengte – wat eigenlijk een fancy manier is om te zeggen dat het niet m’n eerste verhaal is. Het is, zoals ondertussen verwacht mag worden, lichtelijk absurdistische fantasy met luchtige thema’s zoals de dood, verlies, en de betekenis van alles. Tenminste, dat is hoe ik het voor me zie. Ik heb het verhaal nog niet gelezen en zelfs als schrijver vergeet je veel als je twee jaar doet over een eerste draft. En dat is niet het enige waardoor het revisieproces zo intens gaat zijn.

Ik probeer graag nieuwe manieren van schrijven uit, op zoek naar iets dat beter werkt dan hoe ik het normaal doe. Maskerval volgt vier hoofdpersonen, en het leek me goed voor m’n inleving in de personages als ik het verhaal per hoofdpersoon schreef, in plaats van op chronologische volgorde (dus afwisselend hoofdstukken per personage). Blijkt dat dat weinig goeds doet voor m’n motivatie. Maar de verhaalwereld en de personages zelf sleepten me er aan de haren doorheen. Soms best pijnlijk, maar je wilt ook niet tegenspartelen.

In juli 2014, toen m’n studenten OV-chipkaart me nog kosteloos door het land begeleidde en ons appartement in Den Haag steriel, eenzaam stof verzamelde in dat zomerse aroma van smeulende smog en de opengereten vuilniszakken op straat, kwam ik regelmatig in Enkhuizen. M’n ouders waren op vakantie en Jordi paste op Blacky onder het genot van een NCIS-marathon. Ik begon aan het eerste deel van Maskerval.

Avondzon Den Haag Jasmijnstraat 9c

De zon zinkt weg in de verzameling stof. Foto uit 2014, dus.

Weer een mislukte jacht. De roofvogel zweefde weg bij de luchtwilg en verdween in een wolk. De lucht was leeg, afgezien van een vage, vluchtige gedaante hier en daar. Perfect eenzaam.*

Toen had ik nog niet het idee van vier hoofdpersonen of van een lang verhaal. Het was gewoon vrij schrijven. Natuurlijk was de dood al een thema, want zo morbide ben ik, maar verder stond er niks vast. Ik schreef wat pagina’s, keek wat NCIS en speelde wat The Minish Cap, ik sliep op de bedbank op de overloop en genoot van een zomer vol rondreizen door Nederland, bevrijd van m’n (dramatisch verlopen) bachelorscriptie en me voorbereidend op m’n master in Leiden.

Het eerste deel was af in september, maar aan het tweede deel begon is pas goed en wel in januari 2015, in een Starbucks in Essen. Tussen onze verkenningstochten van verlaten negentiende-eeuwse industriegebieden door, verdwenen Mieke en ik in onze fantasie en planden we onze toekomstige woonplaats – alles was mogelijk, als we wilden, want we waren allebei bezig met dingen afsluiten.

Het water klotste zachtjes over de roeispanen. Af en toe ruiste er een zuchtje wind door het lichtgevende bladerdek boven hen. De muren van de grot waren verborgen in de witte mist die uit de zee opsteeg. Niks bewoog. Het was alsof de tijd stil stond. Het maakte Mevvis nerveus.*

Deel twee was af in maart en tegen die tijd had ik alle motivatie voor het verhaal verloren. Niet-chronologisch schrijven vereist zoveel planning dat het alle spontaniteit en spanning uit het schrijfproces zuigt. En de spontaniteit en spanning is juist wat het leuk maakt. Bijna automatisch, zonder nadenken, vloeide Hier in het Nest op papier. Zelfs in de meest absurde of fantastische werken zit een kern van de schrijver.

In september 2015, na een pauze van bijna zes maanden, begon ik aan het derde deel van Maskerval. De wereld en de personages bleven aan me knagen. De perfecte eenzaamheid in de lucht, de stilte en tijdloosheid in de zee, de leegte nadat Mieke en mijn paden zich splitsten.

De zon schitterde op de kale rotsen van het pad en de gietijzeren tralies van haar kooi. Ze kon haar ogen amper openhouden. Hoe konden mensen hier zien met zoveel licht? De soldaten en aanvoerders die met haar kooi meereden, leken er geen last van te hebben. Ze zaten verveeld in hun zadels en staarden voor zich uit. Misschien waren ze wel gewoon blind.*

Misschien had ik dat wel nodig om verder te kunnen aan dit verhaal. Grote veranderingen, dingen verliezen en betekenis zoeken. Eind november was deel drie klaar, en na een pauze in december om me voor te bereiden op Finland, begon ik in januari aan deel vier. Ik had ondertussen ook een proloog geschreven om de vier hoofdpersonen direct met elkaar te verbinden, maar al die verbindingen maakten het schrijven steeds lastiger. Alles wat ik schreef, moest overal inpassen. En het was ondertussen al vrij lang geleden dat ik deel één schreef, dus wie weet wat ik allemaal over het hoofd zag?

Hij keek om zich heen op zoek naar zijn kleren, maar de vrouw van Rav had erop gestaan ze te wassen. Hoe heette ze ook alweer? Tati was te moe om zich dingen te herinneren.*

Dit weekend typte ik de laatste woorden. De rest van de pagina blijft leeg. De reis is eindelijk af. En de volgende kan beginnen. Tijd om eens te lezen wat ik eigenlijk heb geschreven.

DSC00535.JPG

Ik zie niks, maar ik herken hier en daar nog iets… Foto uit 2013.

*De quotes komen uit de eerste draft, dus dat is mijn excuus als het slecht is geschreven.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s